Neem vrijblijvend contact met ons op: +31 (0) 24 645 00 66

Autogeen lassen | Waar moet u op letten?

U heeft deze maand al veel kunnen lezen over de autogeen techniek. Deze week gaan we eens dieper in op het Autogeen lassen. Voordat we dat doen wil ik even in gaan op de vraag “Waar bestaat een autogene installatie uit?”

  • Gasvoorziening;
  • Reduceertoestellen;
  • Slangen;
  • Vlamdover;
  • Handgreep met juiste voorstukken (proces en gassoort)

Autogeen lassen, wat is het precies?

Naar mijn bescheiden mening is autogeen lassen de basis om een goede lasser te worden, want we gaan door middel van een vlam het materiaal smelten en we gaan dan op het juiste moment een druppel toevoegen om twee delen aan elkaar te verbinden. Eigenlijk precies wat we ook bij het TIG lassen doen alleen wat langzamer. De neersmeltsnelheid is laag bij dit proces. Hierdoor zijn we ook beperkt in het toepassingsgebied, dit ligt tussen de 0,5 – 5mm.

Acetyleen bij het Autogeen lassen

Bij het autogeen lassen wordt de voor het lassen benodigde warmte verkregen door het verbranden van een geschikt gas, meestal acetyleen. Door gebruik te maken van een speciale lasbrander wordt het gas gemengd met zuurstof. Dit mengsel wordt aangestoken en hierbij ontstaat een vlam die geschikt is voor het lassen van onder andere ongelegeerd staal.

De vlamtemperatuur bedraagt ca. 3100° C en hiermee kunnen we een smeltbad maken op de te lassen delen, en indien gewenst steken we een toevoegdraad in het smeltbad om de delen aan elkaar te verbinden.

We stellen onze lasbrander “neutraal” af, dit wil zeggen dat de hoeveelheden zuurstof en acetyleen nagenoeg gelijk zijn, dus ze verhouden zich als 1:1. Als deze verhouding niet goed is kan het volgende gebeuren:

– Bij minder zuurstof dan acetyleen (carburerende vlam):

  • Niet alle koolstof uit het acetyleen wordt verbrand tot koolmonoxide, dit komt in het smeltbad en we spreken van “opkoling” → hierdoor kan opharding optreden met een verminderde taaiheid.

– Bij meer zuurstof dan acetyleen (oxiderende vlam):

  • De verbrandingsproducten (Co en H₂) gedeeltelijk door de meerdere zuurstof verder worden geoxideerd tot Co₂ ( kooldioxide) en H₂O ( waterdamp) en dan beslist niet meer reducerend zijn. Hierdoor vormen zich oxiden in het smeltbad die zich als insluitingen in het gestolde lasmetaal verdelen en tot scheurvorming kunnen leiden.

Andere gassen bij autogeen lassen

Andere gassen die in combinatie met zuurstof geschikt zijn voor autogeen lassen zijn:

  • 1. Waterstof: Hier wordt een brander toegepast waarbij de mengverhouding waterstof : zuurstof = 4 : 1. Hierbij is de hoogste vlamtemperatuur ca. 2100°C. Toepassing: Het lassen van materialen met een lage smelttemperatuur, bijvoorbeeld lood, en bij het snijden van staal, onder water.
  • 2. Propaan: Hiervoor is een speciale brander nodig. Bij een zuurstof – propaanverhouding in de brander, waarbij een reducerende vlam ontstaat, is de vlamtemperatuur slechts 840°C. Door meer zuurstof in de verhouding propaan – zuurstof toe te voeren, verkrijgen we een vlamtemperatuur van ca. 2650°C. Maar dan is de vlam oxiderend en voor het lassen van staal dus ongeschikt. Voor autogeen snijden is propaan bruikbaar, het geeft een mooie vlakke snede. Toepassing: Gietijzer, brons en aluminium kan men heel goed lassen met propaan.

Autogeen lasmethoden

We onderscheiden twee verschillende Autogeen lasmethoden, namelijk:

  • 1. Naar “links” lassen: Hieronder verstaan we het lassen waarbij de stand van de brander zodanig is dat de vlam gericht is naar de lasrichting. Onze toevoegdraad dopen we vóór de brander in het smeltbad.
  • 2. Naar “rechts” lassen: De stand van de brander is nu zodanig dat de richting van de vlam tegengesteld is aan de lasrichting. Onze toevoegdraad bewegen we al roerende in het smeltbad.

Deze twee methoden kunnen in elke positie plaatsvinden. In het algemeen verdient het naar “rechts” lassen de voorkeur. Echter bij het lassen van dun materiaal levert deze methode moeilijkheden op, omdat de vlam tot op 1/3 van de plaatdikte in de lasnaad moet worden geplaatst. Hierdoor kunnen er bij dun materiaal gemakkelijk gaten ontstaan in de las, of de doorlassing wordt te zwaar, of de las is niet voldoende gevuld. Om deze redenen lassen we materiaal dunner dan 3mm naar “links”.

Lasnaadvormen bij het autogeen lassen

Tot slot nog even iets over lasnaadvormen die we onderscheidden bij het autogeen lassen, deze kunnen we terugvinden in de norm NEN – ISO 2553 terwijl we aanbevelingen over lasnaadvoorbereiding kunnen terugvinden in de NEN – EN – ISO 9692.

Hier nog even kort de lasnaadvormen:

  • T-Naad → De laskanten zijn haaks afgesneden en worden eenzijdig doorgelast
  • V-Naad → De laskanten worden afgeschuind op 25 á 30°
  • Binnenhoeklas → Deze is zonder vooropening en wordt niet doorgelast.
  • Buitenhoeklas → Deze worden met vooropening, éénzijdig doorgelast.

En als laatste nog een vuistregel: lasstaafdiameter = halve plaatdikte + 1mm

Mocht u na het lezen van dit artikel zoiets hebben van: “Ik zal die autogeenkist toch eens onderuit de kast halen en er weer iets mee gaan doen” dan wensen wij u daar veel plezier bij, en als u tijdens het lassen toch nog tegen wat problemen aanloopt, of vragen heeft dan mag u ons hierover altijd contacteren!